De doden op afstand leven nog.
Je hoort je telefoon overgaan en weet meteen wat het betekent.
Zelfs als je het had verwacht, blijft het een verrassing.
‘Dani, ya, het is voorbij.’ Dat zeggen je ouders elke keer als er iemand overlijdt.
Ik twijfel er niet aan dat er iemand overleden is, want ik hoor mijn vader en moeder huilen aan de telefoon, ik hoor de anderen huilen op de achtergrond.
Ik weet dat het waar is.
Ik zie de foto van de foto die bij de uitvaart staat,
Ik zie de foto’s van de bloemen,
Ik zie de foto’s van de mensen in het zwart,
Ik zie de foto’s van de kist, maar ik weiger te kijken wie erin ligt.
Mensen bellen om te zeggen dat ze zich goed kunnen voorstellen dat de dood op afstand veel pijn doet, maar ik voel niets, want de doden op afstand leven nog.
Toen hun hart stopte met kloppen, was ik er niet.
Toen hun handen en lijf koud begonnen te worden, was ik er niet.
Toen hun laatste woorden klonken, gemompel van pijn, was ik er niet.
Ik was er ook niet toen ze afscheid namen, toen ze voor de laatste keer lachten, toen ze hun laatste kus gaven, toen ze bang waren, toen ze aan mij dachten, toen ze mij misten. Ik was er niet en twijfel er niet aan dat er iemand overleden is, maar ik heb het niet gezien, ik heb het niet gevoeld, dus leven ze nog.
Na een tijd reis je terug en zie je dat anderen de huizen en bedden van de doden bevolken, dat anderen hun verhalen vertellen. Hun kleding wordt bewoond door andere lichamen of door niemand. Hun geur is niet langer een geur van deze wereld. Alleen dan realiseer je je dat de doden die voor jou op afstand nog leefden, er echt, echt niet meer zijn.
Daniela Jerez